This page in English. Home / Terug

VierStromen
(Fly)Fishing the lowlands

Bodemvissen

Bodemvissen op de rivieren betekent werpen met flink veel gewicht. Ik gooi in dit hoofdstuk drie technieken bij elkaar: feederen, vissen met bodemlood (ledgeren) en vastloodmontage.
De eerste twee komen uit de witvisserij de derde uit het karpervissen en alle drie de technieken werken voor voorn, winde, barbeel en brasem.

Het belangrijkste uitgangspunt bij elke vorm van vissen en zeker bij bodemvissen is, als altijd, KISS: Keep It Simple, Stupid. Hoe eenvoudiger het systeem hoe minder kans op problemen. Dit geldt zeker op de rivier waar sterke onderstromen vreemde knopen kunnen leggen in een onderlijn.

Feeder vissen

Bij feeder vissen wordt een korfje al dan niet voorzien van extra lood gebruikt als werpgewicht. Dit korfje wordt gevuld met lokvoer. Bij feederen ligt er dus altijd lokvoer in een straal van zeg een meter rond het haakaas. Omdat het lokvoer relatief vast zit in de korf en de korf zwaar is, is deze manier van vissen relatief ongevoelig voor stroming. Dit maakt feederen tot een bijzonder effectieve methode van vissen op de rivier.

Onderlijn systeem

Ik vis altijd met een schuivend systeem waarbij de korf aan een hoekafhouder direct aan de hoofdlijn hangt. Die hoekafhouder dient om de druk op de lijn te verdelen over een wat groter oppervlak. Ik gebruik doorgaans geen voorslag omdat ik of met .14 gevlochten lijn of met .22 nylon vis. De ervaring leert dat beide dik genoeg zijn om zonder te kunnen.
Aan het eind van de hoofdlijn komt een wartel. Ik bescherm de knoop altijd met een glaskraaltje en een rubber kraaltje. Als ik me aan mijn eigen adagium zou houden, zou een van beide kraaltjes er af moeten maar het vlees is zwak... Ik praat het goed met de theorie dat het rubber kraaltje het glazen kraaltje heel houdt en dat het glazen kraaltje de knoop beter heel houdt. (In dit soort theorieën zijn vissers erg goed...)

Een andere veel gebruikte montage is die waarbij de korf in een lus van de hoofdlijn hangt. De korf kan dan de lengte van de lus bewegen maar niet verder. Veel vissers menen dat deze lusmontage meer controle over de korf oplevert. Ik denk dat beide systemen elkaar wat beetregistratie betreft niet veel ontlopen. Uiteindelijk is het een kwestie van voorkeur en gewenning welk systeem gekozen wordt.

Wartel

Van belang is dat de onderlijn aan een wartel wordt bevestigd en niet direct lus in lus. De reden is weer de stroming. Een beetje asymmetrisch aas en de stroming zal de onderlijn in elkaar draaien tot een kluwen als er geen wartel tussen zit.

Onderlijn

De onderlijn moet niet te dun gekozen worden. Vis is zelden lijnschuw op de rivier en de kans dat de zaak heel blijft gaat met sprongen omhoog met wat dikkere onderlijnen. Mijn minimum is .14 nylon, maar vaak gebruik ik .16 nylon of zelfs .20 fluocarbon.
De lengte van de onderlijn is sterk afhankelijk van de omstandigheden en de getargette vis. Brasem bijvoorbeeld blijft dicht tegen de bodem en is niet snel: korte onderlijn. Winde is snel en wil graag jagen: lange onderlijn die flink beweegt in de stroming. Barbeel zit daar tusen in. Om een idee te geven: ik begin meestal met een onderlijn van 50 cm en kijk dan hoe het gaat: diep slikken -> onderlijn verkorten. Geen beten -> langere onderlijn/kleinere haak. Spookbeten -> kortere onderlijn en grotere haak en aas.

Haken

Wat de haken betreft, is het verhaal wat genuanceerder. Natuurlijk moet de haakmaat aangepast worden aan het aas. Een tros maden op een 18 vist nu eenmaal niet lekker. Maar los van dat is de ervaring dat #12 een werkbare bovengrens is voor brasem en #8 voor barbeel. Mijn 'doordeweekse' haak is een #15 kortstelig die ik vis met twee tot vier maden. Nadeel van deze haak is dat ie zeer makkelijk diep genomen kan worden, wat naar is. Voordeel is dat ie vanwege de korte steel vaak muurvast zit. Vanwege het slikgevaar ga ik, als er een school grote vis op de stek ligt en de beet er in zit, vaak naar een grotere haak met dito aas.

Hoofdlijn

Als hoofdlijn gebruik ik of .14 gevlochten lijn of .22 nylon. De bevinding leert dat beide meer dan genoeg trekkracht hebben voor alles wat in de rivieren zwemt. Er zijn echter wel stekken die vragen om een dikkere lijn. Zo is er een stek waar een geul vlak achter een mosselbank loopt. Het is een topstek omdat er altijd wel dikke vis in de geul ligt, maar ik vermijd hem liever omdat de kans op vastlopen zeer groot is. De korf moet namelijk meer dan een meter gelift worden in ongeveer 5 meter. Dit lukt alleen bij laag water als we dicht bij de mosselbank kunnen komen waardoor de hoek gunstiger wordt. Ook onstaat er door de diepte een knik in de lijn, hierdoor is de beetregistratie ook niet goed wat enorm frustrerend kan zijn.

de genoemde .14 en .22 zijn een goed compromis tussen slijtvastheid en waterweerstand, want: hoe dikker -> hoe slijtvaster -> hoe groter de waterweerstand -> hoe zwaarder de korf moet zijn.

Korven

Mijn ervaring is dat er gevist kan worden met korven van 30 tot 60 gram zonder dat ze voortdurend wandelen. De stekken die bij uitstek geschikt zijn voor feederen hebben een zandbodem met hier en daar keien (geldt niet voor barbeel, zie de vastloodmontage). Deze stekken liggen nooit direct in de volle stroming. Het resultaat is dat een korf van 30 of 60 gram zal wandelen tot hij een gat vindt om in te liggen en dat zijn dezelfde gaten als waar de vis ligt. Het is dus een automatisch viszoeksysteem.
Overigens schijnt dit wandelen de reden te zijn dat veel verstokte feedervissers vissen op de rivier niet zien zitten: zij willen een voerplek opbouwen door constant opdezelfde plek te vissen. Dit lukt het best als de korf vast op de bodem ligt. Zij merken dan al snel dat er soms ongelooflijke gewichten nodig zijn om dat voor elkaar te krijgen en dat het vaak helemaal niet lukt. Op de rivier is het meer 'go with the flow'. De korf moet zo zwaar zijn dat de lijndruk hem niet kan lichten, meer is niet nodig.

Het heeft op de rivier niet veel zin om allemachtig ver te gooien omdat de controle op afstand ver te zoeken is. Hoe meer lijn in het water hoe groter de waterdruk, hoe zwaarder de korf. Dit leidt tot een vrij zinloze wedloop. Het is beter dichterbij en lichter te vissen, in mijn opinie. Dichterbij = lichter = meer gevoel = meer plezier. U hoeft niet bang te zijn dat u vis verstoort want anders dan op een vijver of kanaal zijn riviervissen moeilijk te verstoren. Ze leven in een vaak heftig turbulente omgeving waar een voetstap meer of minder of het silhouet van een visser niet meteen opvalt of indruk maakt. (waarmee niet gezegd is dat het een goed idee is om op een stille zomeravond in volle gallop op jagende snoekbaarzen af te denderen...)

Verder gebruik ik vrij kleine korven, zo'n 3 cm in doorsnee. Mijn theorie is dat de hoeveelheid voer het altijd zal afleggen tegen geur in heftige stroming. Daarom gebruik ik kleine korven gevuld met zeer compact voer dat stinkt als de ziekte. Het doel is een soort geurvlag in de stroming te veroorzaken die vele malen groter is dan een voerplek sec ooit kan zijn.
Deze theorie is ontstaan uit een vaste stok sessie op een krib. Het voer was flink verzwaard met leem en we waren er van overtuigd dat het de bodem zou halen. Nou, smuk ikke (Deens voor 'mooi niet'). Al snel stopten we een steen in het midden van elke voerbal en ettelijke kilo's verder was elke bal meer steen dan voer en nog waren we gedwongen om als een gek te blijven voeren (of om mee te gaan lopen met onze door de stroming voortbewogen voerplek). Wat deze sessie me leerde is dat je in een stevige stroming met grondlokvoer niet kunt winnen. (Met particles als maden en casters of mais is het een ander verhaal. Net als met geur onstaat er als er met particles wordt gevoerd een voervlag, die door de vis stroomopwaarts gevolgd wordt.) Daarom: weinig maar geurrijk.
Een tweede voordeel van een kleine korf is dat er een lichtere hengel gebruikt kan worden. Vaak voldoet een medium feeder prima inplaats van zo'n langeafstandpook en net als met lingerie en uitjes is fijn fijn.

Hengel

Wat me naadloos bij de hengel brengt. Ik gebruik het liefst een wat zachtere hengel. Niet alleen omdat de dril een stuk aangenamer is, zeker met gevlochten lijn, maar ook omdat dat past bij mijn stijl van werpen die meer op flow gericht is dan op explosie. Natuurlijk kost het me afstand maar op de rivier heb ik die ook niet nodig als ik de 50 meter haal is het zat.
Neem wel een voldoende lange hengel. In principe hoe langer hoe beter, maar bedenk dat u er nog wel mee moet kunnen gooien. Zo'n 4,5 meter is prima. De reden voor de lengte is dat met een lange hengel meer lijn uit het water gehouden kan worden, wat weer minder lijndruk oplevert en dus mooiere beten, en beter over een richel of taluud heen gevist kan worden.

Het feeder setje compleet

Mijn feeder setje ziet er dus zo uit:

Hengel:Medium feeder ca. 4,5 meter lang.
Lijn:.22 Nylon of .14 gevlochten.
Onderlijn:.14 nylon tot .20 fluorocarbon in een wartel gehangen.
Korven:3 cm doorsnee in een range van 30 tot 60 gram aan een hoekafhouder.
Haken:Geen speciale eisen, in een range van #14 tot #10.
Lokvoer:Zeer plakkerig en geurig, verder geen eisen.

Ledgering:
vissen met een bodemloodje

Ledgering of het vissen met een bodemloodje op witvis anders dan karper, is minder populair dan feederen. In eerste instantie lijkt feedervissen ook een betere optie: het voer ligt altijd op de goede plaats. Bodemloodjes hebben echter op de stroming wel goede mogelijkheden in combinatie met het voeren met deeltjes als casters, maden en bijvoorbeeld mais. De techniek is dan -vaak, maar weinig- voeren. Steeds een handjevol voer in de stroming is voldoende. Er ontstaat dan een lint of vlag van voerdeeltjes die door de vis naar de bron gevolgd wordt. De truc is de haak met het aas in dat voerlint te houden en een bodemloodje is daar zeer geschikt voor. Het loodje dient als ankertje voor de onderlijn.

Wartelloodjes
Uit de collectie wartelloodjes de range 40 tot 20 gram. Let ook op de wartels: groot en effectief.

Het huppelende loodje

Een andere techniek is met een licht wartelloodje de bodem af te zoeken op vis. Hiervoor neem je een wartelloodje van zeg 20 gram. Op zichzelf is dit loodje te licht om het aas op één plaats op de bodem te houden, maar het houdt het aas wel op de bodem als het over de bodem kan rollen. De truc is stroomopwaarts in te werpen en het loodje door middel van de lijndruk over de bodem te laten huppelen. Het zal vanzelf de kuilen vinden waar voer en vis zich verzamelen. Levert zo'n kuil niets op dan is een licht rukje aan de lijn voldoende om op zoek te gaan naar de volgende kuil of steen.

Hengel

Ik gebruik voor deze techniek dezelfde medium feeder als voor het vissen met de korf. Het is echter ook mogelijk om een nog soepeler (en vooral lichtere) hengel te gebruiken. Weer is de lengte van de hengel van belang vanwege de lijncontrole: ga niet onder de 4 meter.
De gebruikte lijn is gelijk aan die voor het feeder vissen. Waarschijnlijk zou er wat dunner gevist kunnen worden maar omdat een lijn veel te lijden heeft van de stenen hou ik het op .22.

Ophanging en onderlijn

De lichtste loodjes zouden direct op de hoofdlijn geregen kunnen worden, of dit een goed idee is is een tweede omdat het loodje veel zal bewegen en dus zal de lijn veel te lijden hebben. Regelmatig de lijn vlak boven de wartel controleren is dus het devies. Precies om die reden gebruik ik weer een hoekafhouder. Die verspreidt de druk over een groter stuk lijn. Ook rust het uiteinde van de afhouder op de wartel, die heel wat slijtvaster is dan nylon.
De onderlijn is gelijk aan die voor het feederen: 50 cm tot een meter, .14 tot .18 dik, haak #14 tot #10.
In het kort gebruik ik dus voor ledgeren precies hetzelfde systeem als voor feederen, wat als bijkomend voordeel heeft dat ik door een korf te verruilen voor een wartelloodje van de ene techniek naar de andere kan overstappen.

Wanneer inzetten

Over het algemeen werkt ledgering goed als er gevist wordt op een vis die veel in beweging is. Ik denk dan vooral aan winde en voorn. Maar ook de omstandigheden spelen een rol. Door de bank genomen is ledgering effectiever in ondieper water. Ik zou niet snel met een loodje in een put van 4 meter aan de slag gaan.

Het ledgering setje compleet

Mijn ledgering setje ziet er zo uit:

Hengel:Medium feeder ca. 4,5 meter lang. Voor lichtere loodjes kan ook een vlokhengel of karper-penhengel worden gebruikt.
Lijn:.22 Nylon of .14 gevlochten.
Onderlijn:.14 nylon tot .20 fluorocarbon in een wartel gehangen.
Loodjes:20 tot 50 gram aan een hoekafhouder.
Haken:Geen speciale eisen, in een range van #14 tot #10.

Vastloodmontage

Zoals gezegd komt de vastloodmontage uit het karpervissen. Daar staat hij ook bekend als bolt rig. Bij deze montage wordt een flink lood vast op de lijn gezet. De idee is dat de vis het aas pakt, wegzwemt, zich prikt en als reactie er vandoor gaat, zichzelf hakend. Het lood dient als anker waardoor de haak door de lip gaat. Omdat het lood als anker moet fungeren kan het niet te licht zijn. Als standaard geldt 100 tot 150 gram. Zelf gebruik ik zeelood. Zoals gezegd riviervis is niet lood- of lijnschuw.

Het lood wordt met een speciale bolt rig clip aan de hoofdlijn gezet. Dit clipje dient twee doelen: verdeling van het gewicht over een groter oppervlak van de lijn en het loslaten van het lood mocht de hoofdlijn breken in de dril. Deze clipjes zijn in elke hengelsportzaak te krijgen en ze zijn ook aan boord.

Onderlijnen

De ervaring leert dat een vastloodmontage bijzonder goed werkt voor barbeel. Dik lood maakt dat meer stroming verwerkt kan worden en dat brengt favoriete barbeelstekken binnen bereik. Nu is de barbeel geen kinderachtige vis en dat zie je terug in de onderlijnen: 25 to 35 honderste.
Naast trekkracht hebben dikke onderlijnen het voordeel dat ze stug zijn. Die stugheid helpt het aas stabiel te houden. Om diezelfde reden moeten onderlijnen kort worden gehouden, zo rond de 20 cm.

Voorslag

Als een vastloodmontage wordt gebruikt voor barbeel kan een voorslag een goed idee zijn. De standaard van 0.22 nylon en 0.14 dyneema werkt prima voor de hoofdlijn maar kan aan de dunne kant zijn als voorslag. Barbeel leeft het liefst boven kiezel- en of mosselbanken. Beide zijn geen goed nieuws voor de lijn. Om die reden wordt er wel naar een voorslag van slijtvast nylon gegrepen, een aantal maten dikker dan de hoofdlijn.

Het vastlood setje compleet

Mijn vastlood setje ziet er zo uit:

Hengel:Heavy feeder of karperstok ca. 4,5 meter lang.
Molen:Vrijloopmolen. Niet noodzakelijk, wel makkelijk.
Lijn:.30 Nylon of .15 gevlochten.
Onderlijn:.25 nylon tot .35 nylon of fluocarbon in een wartel gehangen.
Lood:Safety rig met 100 tot 150 gram stroom- of zeelood.
Haken:Sterke haken (karper?) in #8 of #6.